Ga naar hoofdinhoud
MedCalc

Matrices

Wat zijn matrices?

Een matrix is een rechthoekige tabel van reële en/of complexe getallen, gerangschikt in rijen en kolommen. Een r × c-matrix heeft r rijen en c kolommen. De gehele getallen r en c zijn de dimensies van de matrix. De afzonderlijke items in de matrix zijn de elementen. Het element op rij r en kolom c wordt aangeduid met er,c.

In de literatuur worden matrices gewoonlijk aangeduid met een vetgedrukte hoofdletter, bv. A.

Een r × 1-matrix heet een kolommatrix, en een 1 × c-matrix is een rijmatrix. Een 1 × 1-matrix heet een scalair. Een matrix met één rij of één kolom wordt soms een vector genoemd.

Een matrix met evenveel rijen als kolommen heet een vierkante matrix.

Een identiteitsmatrix of eenheidsmatrix is een vierkante matrix waarin alle elementen op de hoofddiagonaal gelijk zijn aan één en alle andere elementen gelijk zijn aan nul. Een matrix vermenigvuldigen met een eenheidsmatrix laat die matrix ongewijzigd.

Een nulmatrix is een matrix waarvan alle elementen nul zijn.

Een diagonaalmatrix is een vierkante matrix waarvan alle elementen die niet op de hoofddiagonaal liggen, gelijk zijn aan nul.

Om een onderscheid te maken tussen matrices met reële getallen en matrices met complexe getallen, spreekt men van een reële matrix of een complexe matrix.

In de MedCalc-spreadsheet wordt een matrix in één cel weergegeven als een lijst van waarden tussen accolades, waarbij waarden op dezelfde rij gescheiden worden door een komma (of het lijstscheidingsteken van je landinstellingen) en rijen gescheiden worden door een verticale streep. De tekstuele weergave van de matrix

56
78

is bijvoorbeeld {5,6|7,8}.

Bij grote matrices, wanneer niet alle waarden in één cel kunnen worden weergegeven, worden de waarden die niet kunnen worden weergegeven voorgesteld door 3 puntjes. De eenheidsmatrix met 12 rijen en 12 kolommen wordt bijvoorbeeld tekstueel weergegeven als:

{1,0,0,0,0,0,0,0,0,0,0,0| 0,1,0,0,0,0,0,0,0,0,0,0| 0,0,1,0,0,0,0,0,0,0,0,0| 0,0,0,1,0,0,0,0,0,0,0,0| 0,0,0,0,1,0,0,0,0,0,0,0| 0,0,0,0,0,1,0,0,0,0,0,0| 0,0,0,0,0,0,1,0,0,0,0,0| 0,0,0,0,0,0,0,1,0,0,0,0| 0,0,0,0,0,0,0,0,1,0,0,0| 0,0,0,0,0,0,0,…}

Een matrix maken uit gegevens

Om een matrix te maken uit bestaande gegevens, gebruik je de operator { } als volgt:

Een matrix maken uit variabelen in de spreadsheet

{lijst van variabelen} geeft een matrix terug met de gegevens van alle gevallen in de spreadsheet voor meerdere variabelen. Het aantal kolommen is het aantal variabelen in de lijst, en het aantal rijen is het aantal gevallen.

Als var1, var2 en var3 variabelen in de spreadsheet zijn, dan geeft {var1,var2,var3} een n × 3-matrix terug, waarbij n, het aantal rijen in de matrix, het totale aantal gevallen is zonder ontbrekende gegevens voor var1, var2 of var3.

De resulterende matrix kan ontbrekende gegevens bevatten. Om lege kolommen en rijen met ontbrekende gegevens te verwijderen, gebruik je de functie CLEAN.

Een matrix maken uit een spreadsheetbereik

{bereik} maakt een matrix met alle gegevens in het opgegeven spreadsheetbereik. Het gegevensbereik mag ontbrekende gegevens bevatten.

{a1:b20} maakt een 20 × 2-matrix met de gegevens in de spreadsheetcellen A1 tot en met B20.

Een matrix maken uit een lijst van gegevens

{v11, v12, … | v21, v22, …} geeft een matrix terug met de gegevens die in de argumentenlijst zijn opgesomd. De elementen op dezelfde rij worden gescheiden door een komma (of het lijstscheidingsteken van je landinstellingen), en de rijen worden gescheiden door een verticale streep | (voor het gemak kan je ook ! of \ als rijscheidingsteken gebruiken; MedCalc zet het automatisch om naar |).

De matrix mag ontbrekende gegevens bevatten. De elementen in de gegevenslijst kunnen getallen of celverwijzingen zijn.

{5,6|7,8} maakt de volgende 2 × 2-matrix:

56
78

{5,6|7,8,9} maakt de volgende 2 × 3-matrix:

56
789

Om een lege rij aan te geven, gebruik je twee verticale strepen |  | gescheiden door een spatie, bv. {5,6|  |7,8,9}

56
 
789

Omdat de lengte van de tekst in een MedCalc-cel beperkt is tot ongeveer 250 tekens, kan je met deze methode geen grote matrices maken.

Elementaire wiskundige bewerkingen

Tekenomkering
−AEen minteken vóór een matrix keert het teken van elk element om.
Vermenigvuldiging of deling van een matrix met een reëel getal
A * relk element van matrix A wordt vermenigvuldigd met het reële getal r
A / relk element van matrix A wordt gedeeld door het reële getal r
Optelling of aftrekking van een matrix en een reëel getal
A + rhet reële getal r wordt bij elk element van matrix A opgeteld
A − rhet reële getal r wordt van elk element van matrix A afgetrokken
Optelling of aftrekking van matrices
A + BDe overeenkomstige elementen van de twee matrices worden opgeteld. De matrices moeten dezelfde dimensies hebben (*)
A − BDe overeenkomstige elementen van de twee matrices worden van elkaar afgetrokken. De matrices moeten dezelfde dimensies hebben (*)
Elementsgewijze vermenigvuldiging
A &* BDe overeenkomstige elementen van de twee matrices worden met elkaar vermenigvuldigd. De matrices moeten dezelfde dimensies hebben (*)
Elementsgewijze deling
A &/ BAlle elementen van matrix A worden gedeeld door de overeenkomstige elementen van matrix B. De matrices moeten dezelfde dimensies hebben (*)
Vermenigvuldiging van matrices
A * B Als A een n × m-matrix is en B een m × p-matrix, dan is A*B een n × p-matrix waarin het element op rij i, kolom j, gelijk is aan
$$ (\mathbf{A}\mathbf{B})_{ij} = \sum_{k=1}^m A_{ik}B_{kj} $$
Voor matrixvermenigvuldiging moet het aantal kolommen van de eerste matrix gelijk zijn aan het aantal rijen van de tweede matrix
Deling van matrices
A / BMatrix A wordt vermenigvuldigd met de inverse van matrix B

(*) als een van de matrices een m × n-matrix is en de andere matrix een kolomvector m × 1, dan worden de elementen van de kolomvector opgeteld bij (resp. afgetrokken van, vermenigvuldigd met, gedeeld door) de overeenkomstige elementen van elke kolom van de m × n-matrix. Als een van de matrices een m × n-matrix is en de andere matrix een rijvector 1 × n, dan worden de elementen van de rijvector opgeteld bij (resp. afgetrokken van, vermenigvuldigd met, gedeeld door) de overeenkomstige elementen van elke rij van de m × n-matrix.

Afzonderlijke elementen, rijen of kolommen opvragen

Afzonderlijke elementen, rijen of kolommen kan je opvragen met de functie INDEX.

Als cel A1 bijvoorbeeld de matrix {4,5,6|7,8,9} bevat, dan

geeft INDEX(A1,2,2) 8 terug

geeft INDEX(A1,0,2) de kolommatrix {5|8} terug, de 2e kolom van de matrix in A1

geeft INDEX(A1,2,0) de rijmatrix {7,8,9} terug, de 2e rij van de matrix in A1

Je kan ook de volgende syntaxis gebruiken: A1[r,c]

A1[2,2] geeft 8 terug (in de spreadsheet moet je deze formule laten voorafgaan door het teken =, omdat de formule met een celadres begint).

Matrixfuncties

MedCalc biedt een groot aantal functies voor het aanmaken van matrices, het verwijderen en toevoegen van kolommen en rijen, matrixeigenschappen, matrixbewerkingen en -transformaties, en lineaire vergelijkingen.

Zie Matrixfuncties.

Wiskundige functies op matrices

De volgende functies aanvaarden een matrix of gegevensbereik als argument, en geven in dat geval een matrix als resultaat terug.

Wanneer een wiskundige functie op een matrix wordt toegepast, wordt de functie op elk afzonderlijk element ervan toegepast.

Wiskundige functies:

Abs, Log, Ln, Exp, Pow10, Sqrt, Square, Int, Rand, Sign, Odd, Abs, Trunc, Ceil, Floor,

Logit, Alogit,

Erf, Erfc

Fact, Gamma, GammaLN

Goniometrische functies:

Sin, Cos, Tan, Asin, Acos, Atan, SinH, CosH, TanH, AsinH, AcosH, AtanH, Radians, Degrees

Sinintegral, Cosintegral,

Voor functies met 2 argumenten (zoals Power, Mod, Round, RandNorm, Atan2) moeten beide matrices, wanneer beide argumenten matrices zijn, hetzelfde aantal rijen en kolommen hebben.

Power, Mod, RandNorm, Round, Atan2,

Beta,

BesselJ, BesselI, BesselY, BesselK

Statistische functies op matrices

Wanneer een van de volgende statistische spreadsheetfuncties op een matrix wordt toegepast, wordt een rijvector teruggegeven met de statistiek voor de gegevens in elke overeenkomstige kolom van de matrix.

De volgende functies kunnen op reële matrices worden gebruikt:

AVEDEV, AVERAGE, COEFVAR, COUNT, COUNTNEG, COUNTPOS, GEOMEAN, HARMEAN, MAX, MEDIAN, MIN, PERCENTILE, PERCRANK, SEM, STDEV, SUM, SUMNEG, SUMPOS, SUMSQ, TESTNORM, TrimMean, TrimMeanSEM, TrimMeanLOW, TrimMeanHIGH, VAR

De volgende functies kunnen worden gebruikt op matrices die complexe getallen bevatten:

AVERAGE, COUNT, SUM

Statistische toetsfuncties op matrices

De statistische toetsfuncties vereisen dat de vrijheidsgraden gehele getallen zijn; de toetswaarden mogen matrices zijn.

ChiDist, ChiInv, FDist, FInv, NormsDist, NormsInv, TDist, TInv

Zie ook