Ga naar hoofdinhoud
MedCalc

De MedCalc-spreadsheet

In MedCalc worden de gegevens in een spreadsheet ingevoerd (zie Hoe gegevens invoeren). Je kan de spreadsheet openen door in het menu Beeld op Spreadsheet te klikken, of door in de inhoudsbalk op Gegevens te klikken.

Net als in andere spreadsheets kan een cel tekst (een tekenreeks) bevatten, of een getal of een formule.

Een voorbeeld van een tekenreeks is een naam, zoals Howard. Wanneer tekenreeksen in een formule worden gebruikt, moeten ze tussen aanhalingstekens staan, bv. "Howard".

Een cel kan ook een getal bevatten, negatief of positief, met of zonder decimalen. Bv. 5; -23,5; 0,03. Het aantal decimalen dat globaal in de spreadsheet wordt weergegeven, selecteer je in het venster Spreadsheet opmaken. Voor een bepaalde variabele kan je echter een ander aantal decimalen selecteren op het tabblad Kolommen van dit dialoogvenster.

Een formule kan een eenvoudige wiskundige formule zijn, zoals SQRT(36). Deze formule geeft de waarde 6, de vierkantswortel van het getal 36. Je kan het getal 36 ook in een andere cel van de spreadsheet invoeren, en de functie SQRT kan het adres van die cel als argument gebruiken, bv. SQRT(B5).

De meeste formules in MedCalc werken op dezelfde manier als hun equivalenten in andere spreadsheetprogramma's. Wanneer een formule daar met een celadres begint, moet ze voorafgegaan worden door een = of +-teken, maar in MedCalc mogen formules niet worden voorafgegaan door het teken =.

In de meeste Europese landen, waaronder België en Nederland, wordt een komma als decimaalteken gebruikt (bv. 75,5), terwijl in Engelstalige landen een punt wordt gebruikt.

Daarnaast gebruiken de functies in deze handleiding een komma om de verschillende argumenten te scheiden, bv. power(5,2). In de meeste Europese landen moet je een puntkomma gebruiken om argumenten te scheiden, bv. power(5;2).

Het decimaalteken en het lijstscheidingsteken zijn opties in het Windows-configuratiescherm, en MedCalc gebruikt standaard deze instellingen. Dit gedrag is hetzelfde als bijvoorbeeld in Excel.

Je kan het decimaalteken en het lijstscheidingsteken die MedCalc gebruikt echter wijzigen in het dialoogvenster Opties (tabblad Regionale instellingen).

Relatieve en absolute celadressen

Als je de waarde van een cel wil gebruiken in een formule in een andere cel van de spreadsheet, verwijs je naar die cel via het celadres. Dit celadres bestaat uit een kolomaanduiding en een rijnummer: cel D14 is bijvoorbeeld de cel in kolom D, rij 14.

Wanneer een celadres een $-teken bevat vóór de kolomaanduiding of het rijnummer, wordt het adres als een absoluut adres beschouwd. Wanneer cel C10 bijvoorbeeld de formule $B$5+$B$6 bevat, worden de werkelijke adressen van deze twee cellen in het geheugen opgeslagen. Wanneer de formule naar cel C11 wordt gekopieerd of verplaatst, bv. door op rij 9 een rij in te voegen, blijft de formule $B$5+$B$6.

Wanneer een celadres geen $-tekens bevat, wordt het adres als een relatief adres beschouwd. Dit betekent dat het programma niet het werkelijke adres opslaat, maar het aantal kolommen en rijen berekend ten opzichte van de cel die de formule bevat. Wanneer cel B5 het celadres B4 bevat, slaat het programma niet het adres B4 als zodanig op, maar wel hoe je van cel B5 naar cel B4 gaat, in dit geval één rij omhoog. Wanneer de formule 2*B4 van cel B5 naar cel D10 wordt gekopieerd, verandert de formule in 2*D9.

Wanneer cel B1 de formule SUM(B2:B10) bevat en deze formule naar cel C1 wordt gekopieerd, wordt de formule omgezet in SUM(C2:C10). Wanneer ze naar cel D51 wordt gekopieerd, wordt de formule omgezet in SUM(D52:D60).

Een celadres of formule kan een combinatie van absolute en relatieve celadressen bevatten, bv.: A$2, $B10, $C5, SUM(B3:B20)*$A$1.

Celbereiken worden aangeduid met twee celadressen gescheiden door een dubbele punt. Ook deze celadressen kunnen relatief en absoluut zijn, bv. B2:E8, $A$10:$A$25, D10:D10 enz.

Wanneer je een spreadsheet ontwerpt, moet je erop letten wanneer je relatieve en wanneer je absolute celadressen gebruikt.

Zie ook